“Lange staarten houden is een kwestie van gezond boeren verstand”
Toen er binnen de langestaartenpilot een plek vrijkwam, werd Harm gevraagd om mee te doen. “Ik twijfelde geen moment. Westfort en De Hoeve helpen mij altijd goed. Ze staan voor mij klaar. Dan sta ik ook voor hen klaar als ze iets vragen. Bovendien wordt het vanaf 2030 een verplichting en gaat het waarschijnlijk geen one-size-fits-alloplossing worden. Dan kun je er maar beter op tijd mee aan de slag gaan.”
Gewoon beginnen en bijsturen
Samen met zijn eigen dierenarts en de KDV-boerderijcoach liep Harm het bedrijf rond. “We hebben gekeken of de basisvoorzieningen kloppen voor lange staarten. Eigenlijk hoefde ik weinig aan te passen.” Er werd een plan gemaakt: per cyclus van vier à vijf weken drie tomen in de kraamstal met lange staarten houden. “Je begint vanuit onwetendheid,” zegt Harm nuchter. “Dus je moet gewoon starten en ervaren. Dan ga je vanzelf bijsturen.” Dat bijsturen bleek nodig. Bij de eerste drie tomen werd er flink gebeten. “Dan moet je schakelen. Ik heb de gebeten biggen uit het hok gehaald. Daardoor kregen de andere dieren meer ruimte per dier en stopte het bijten.” Dat inzicht nam hij direct mee naar de volgende ronde.
Meer ruimte bij opleg
Binnen het reguliere KDV-concept werkt Harm met 0,4 m² per big in de gespeende biggenstal en 0,8 m² per vleesvarken. “In de kraamstal gaat het goed. Maar ik kan je zeggen: met 0,8 m² bij de vleesvarkens is het echt een uitdaging om lange staarten te houden.” Sinds hij de vleesvarkens oplegt op 1,0 m² per dier, ziet hij duidelijk verschil. “Het gaat stukken beter. Je ziet soms dat ze aan het puntje van de staart hebben gezeten, maar dat groeit goed dicht. Nagenoeg alle dieren kunnen we zonder staartschade afleveren. Als lange staarten in 2030 verplicht worden, ga ik ze allemaal op 1,0 m² houden. Dan ben ik ervan overtuigd dat het lukt.”
Afleiding: liever actief dan permanent
Harm loopt standaard twee verzorgings- en controlerondes per dag. “Dat helpt enorm. Je zit er bovenop.” Twee keer per dag strooit hij luzerne. “Daar zijn ze echt een tijd mee bezig.” In permanente afleidingsmaterialen gelooft hij minder, ook al wordt het een verplichting. “Als iets er altijd hangt, is de nieuwigheid eraf. Dan doen ze er niks meer mee. Je moet het actief aanbieden en vernieuwen.”
Gezondheid is de basis
Het belangrijkste leerpunt uit de pilot bevestigde wat Harm eigenlijk al wist: gezondheid is de sleutel. “We spenen op vijf weken. Daardoor krijgen we in de opfokfase al een sterke big.” In week vier start hij met biggenvoer dat wordt doorgevoerd tot een week na het spenen. “Ze moeten genoeg voedingsstoffen binnenkrijgen. Als ze gezond, verzadigd en tevreden zijn, geeft dat rust in de groep.” Hij voert geëxpandeerd meel, waarbij zetmeel en eiwitten beter beschikbaar en verteerbaar zijn. De voerleverancier voegt soja-olie toe. “Het zakt beter af in de silo dan gewoon meel en geeft meer verzadiging. Dat merk je aan de rust in de toom.” Daarna schakelt hij bij de vleesvarkens over op kruimelvoer. “Dat werkt voor ons beter dan korrels.” De dieren krijgen onbeperkt voer, met voldoende eetplaatsen: vijf dieren per plek. “Minder concurrentie geeft minder onrust.” Volgens Harm is het effect van voer duidelijk merkbaar: goede vertering, voldoende verzadiging en rust in de groep verkleinen de kans op bijten aanzienlijk.
Kijken naar de staart
In de werkgroep leerde Harm hoe veelzeggend de stand van de staart is. “Nu we lange staarten houden, kunnen we dat ook echt zien. We willen een krul in de staart. Dat is een teken dat ze zich goed voelen.” Ziet hij biggen met de staart tussen de benen lopen, dan houdt hij die toom extra scherp in de gaten. “In slimme camera’s geloof ik niet zo. Het moet geen excuus worden om minder in de stal te komen. Juist door twee keer per dag goed te kijken, houd je grip op hoe het gaat. Je ziet snel genoeg of een groep er goed bij staat. Ieder varken heeft wel eens een off-day, maar het mag niet doorzetten.”
Mee- of tegengevallen?
“Het was in het begin pittig,” geeft Harm eerlijk toe. “Die eerste rondes met bijterij zijn niet leuk.” Maar hij benadrukt dat het leerproces snel gaat als je actief bijstuurt. “Zoals het nu gaat, gaat het goed. Ik heb er vertrouwen in dat we dit kunnen. Sterker nog: ik denk dat lange staarten uiteindelijk bijdragen aan de gezondheid van de varkens.” Hij wijst op het risico van wondinfecties bij couperen. “Als je alle varkens coupeert, hebben ze allemaal een wond en dus risico op infectie. Met lange staarten verklein je dat risico. Ik merk dat ik minder kreupele varkens heb.”
Wat wil hij collega’s meegeven?
“Hoe je lange staarten houdt, zal per bedrijf verschillen. Maar gebruik je gezonde boerenverstand. Zorg dat de basis klopt: gezondheid, voer, ruimte en aandacht. En wees niet bang om te beginnen. Je leert door te doen.” Tot slot kijkt hij breder naar de toekomst van de sector. “Ik zie een toekomst voor me waarin we weer meer gesloten familiebedrijven hebben die in ketenverband aan concepten werken. KDV is daar een goed voorbeeld van. Samen kom je verder.”
