bekijk alle artikelen

De oeroude drang om een nest te bouwen

21 juli 2026
Keten Duurzaam Varkensvlees

In de vernieuwde brochure over hokverrijking en nestbouwmaterialen voor varkens worden de criteria voor verrijkingsmateriaal in de stal concreter uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten is dat varkens behoefte hebben om te wroeten en te onderzoeken. Maar voor zeugen er is nog een andere, minstens zo sterke gedragsbehoefte waar hokverrijking een rol speelt. Namelijk nesteldrang.

Van wild zwijn naar landbouwdier

Het gedomesticeerde varken stamt af van het Europese wilde zwijn. In de natuur zondert een wild zwijn zich vlak voor het werpen af van de groep. Ze zoekt een beschutte, tochtvrije plek en begint met het bouwen van een nest van takken, bladeren en ander plantmateriaal. Daarin maakt ze een kuil waarin de biggen geboren worden. Het nest houdt de biggen dicht bij elkaar en beschermt ze tegen kou en roofdieren. Maar, het varken wordt al duizenden jaren door mensen gehouden. Je zou zeggen dat er daardoor in gedomesticeerde zeugen nog maar weinig over is van dit oeroude gedrag. Of niet?

Gedrag dat diep verankerd zit

Die vraag fascineerde WUR-onderzoeker Anita Hoofs. Zij wilde weten hoeveel van het oorspronkelijke nestbouwgedrag nog in de moderne zeug zit. Daarom observeerde ze in 2012 een zeug die al drie keer in een conventioneel kraamhok had geworpen zonder nestmateriaal. In een onderzoeksopstelling kreeg de zeug verschillende materialen aangeboden, waaronder jute doeken, kort stro en lang stro. Met camera’s werd haar gedrag nauwkeurig gevolgd. De eerste vijf dagen gebeurde er vrijwel niets. De zeug lag rustig en leek totaal geen interesse te hebben in het materiaal. Totdat er in de nacht vóór de uitgerekende werpdatum plotseling iets veranderde. Hormonen zorgden ervoor dat de zeug in actie kwam. Bekijk hier de video.

Rustiger werpen

Ze begon een baal stro los te trekken en het materiaal bij elkaar te schuiven. Met haar snuit en poten werkte ze het stro tot een hoop en maakte er een kuil in, precies zoals wilde zwijnen dat doen. Daarna ging ze op zoek naar zachter materiaal. Jute doeken werden één voor één naar het nest gesleept om de kuil mee te bedekken. Tot slot ordende ze alles nog een keer zorgvuldig. Pas toen het nest klaar was, begon het werpen. “Ze deed het exact zoals een wild zwijn dat zou doen,” vertelt Hoofs. “Dat gedrag zit zo diep verankerd in het brein dat het zelfs na generaties domesticatie nog terugkomt.” Als een zeug die mogelijkheid krijgt, heeft dat duidelijke voordelen. Ze wordt rustiger en het werpproces verloopt sneller. “We zien dat het werpen vaak vlotter verloopt wanneer zeugen hun nesteldrang kunnen uiten. En een rustig werpproces kan weer bijdragen aan een betere verdeling van de biest over de biggen.”

Het juiste materiaal op de juiste plek

Binnen KDV is het aanbieden van jute doeken als nestbouwmateriaal al sinds 2012 verplicht. De voordelen voor zowel zeug als big zijn in de praktijk duidelijk zichtbaar, waardoor KDV hiermee al vroeg vooropliep in de sector. Met de update van de brochure Hokverrijking en nestbouwmaterialen wordt het aanbieden van nestmateriaal nu een algemene verplichting voor alle varkenshouders. Net als bij hokverrijking geldt ook voor nestbouwmateriaal dat dieren er daadwerkelijk mee moeten kunnen werken. Het materiaal moet manipuleerbaar zijn en bij voorkeur op de vloer liggen, zodat de zeug er met haar snuit en voorpoten in kan krabben en het materiaal in de bek kan nemen. Ook de plaatsing vraagt aandacht. Hangt het materiaal bijvoorbeeld te dicht bij de voerbak, dan kan een zeug het in de trog slepen omdat ze mogelijk denkt dat dat de juiste plek voor haar nest is. Daarnaast speelt timing een belangrijke rol. Volgens de regelgeving moet nestmateriaal uiterlijk een week vóór het werpen beschikbaar zijn. In de praktijk beginnen zeugen er meestal pas ongeveer een dag vóór het werpen actief mee te werken. Zodra een zeug met jute doeken of stro aan de slag gaat, is dat vaak een teken dat het werpproces nabij is.

Hokverrijking in de eerste levensfase

Ook na het werpen speelt hokverrijking in de kraamstal een belangrijke rol. In de zoogperiode moeten biggen leren om vast voer op te nemen en komen verschillende tandjes door. Materialen zoals jute doeken, touw of andere manipulatiematerialen stimuleren biggen niet alleen om te onderzoeken, maar ook om te kauwen. Dat helpt bij de ontwikkeling van de speekselproductie en kan later de overgang naar vast voer vergemakkelijken. “Eigenlijk kun je in deze fase beter iets te veel verrijking aanbieden dan te weinig,” zegt Hoofs. “Het gedrag van biggen is namelijk sterk gesynchroniseerd. Als één dier ergens mee begint, wil de rest vaak ook meedoen.” Maar de belangrijkste succesfactor is de zeug zelf. Als de eerste weken goed verlopen en de zeug haar biggen goed kan verzorgen, volgt de rest vaak vanzelf. Inspelen op haar soortspecifieke behoeften loont dus altijd.